実際にどう使われますか?
下の例文を通して、それぞれの単語がどのような状況で使われるのか学んでみましょう!
schrik
例文
Ik kreeg een schrik toen ik de deur opendeed en er een onbekende man voor stond. [schrik: noun]
Ik kreeg een schrik toen ik de deur opendeed en er een onbekende man voor stond.[シュリック:名詞]
例文
Ze schrok toen ze het harde geluid hoorde. [schrok: past tense verb]
Ze schrok toen ze het harde geluid hoorde.[シュロック:過去形動詞]
fright
例文
The loud noise gave me a fright. [fright: noun]
大きな音は私に恐怖を与えました。[恐怖:名詞]
例文
She was frightened by the sight of the spider. [frightened: past participle adjective]
彼女はクモの光景におびえていました。[おびえた:過去分詞形容詞]
追加で知っておくといいこと
どっちの方がよく使われますか?
Frightは、オランダ語で使用されるschrikよりも英語で一般的に使用されます。
どっちの方がよりフォーマルですか?
Frightschrikよりもフォーマルです。